14. Geliefde gemeente

Geliefden Gods en geroepen heiligen; genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus.
Romeinen 1:7

Moeten de voorgangers hun gemeenten niet aanspreken als gelovigen? Paulus deed dat toch ook? Paulus schreef toch aan de geliefden Gods en geroepen heiligen in Rome en aan de geheiligden in Christus Jezus in Korinthe? Schrijft de apostel niet aan de Galaten dat Christus Zichzelf gegeven heeft om ‘ons’ uit deze tegenwoordige wereld te trekken? Hij spreekt de gemeente van Efeze aan als gelovigen in Christus Jezus!

Het wezen
Allereerst wil ik graag beamen dat de christelijke gemeente – ten diepste – de gemeente des Heeren is. De ware gelovigen zijn de vruchtdragende ranken. Zij zijn gekocht met het bloed des Lams en leden van het lichaam van Christus. En zij zijn het wezenlijke bestanddeel van de gemeente. De gemeente wordt naar hen genoemd. Zij bepalen het wezen van de kerk en bepalen als het goed is het gezicht van de gemeente. Zonder hen is de gemeente niet wat ze is. Het is goed om dat in gedachten te houden. De gemeente is geen vereniging van gelijkgezinden, geen groep mensen die dezelfde leer hebben. De gemeente is inderdaad de Gemeente des Heeren. De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat ook heel duidelijk. De gemeente is een vergadering van ware christgelovigen.

Dewelke is een heilige vergadering der ware christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest
(NGB, artikel 27)

De tijd
We moeten echter niet vergeten dat God rijk werkte in de eerste christengemeenten en dat de meesten die het heidendom de rug toekeerden inderdaad ware gelovigen waren. Bij een avondmaalsbediening ging waarschijnlijk iedereen aan. Er was grote geloofsverbondenheid. De liefde verbond de mensen en het was heel wat om je bij dat groepje christenen te scharen met die nieuwe leer! Bijna niemand was bij Gods Woord opgevoed. Het was voor hen een wonder dat God hen genadig wilde zijn in Christus. Kerkgang was geen gewoonte geworden en avondmaalsbedieningen waren heel bijzonder. Uiteraard waren er in de jonge gemeenten ook veel misstanden en was men bezig om los te groeien van heidense gebruiken, maar toch was er over het algemeen veel ‘leven’.
Later veranderde dat. In de brieven aan de zeven gemeenten horen we al een ander geluid. We lezen dat wat later en de gemeenten schijnen lauw geworden te zijn. Er is zelfs het gevaar dat gemeenten verdwijnen. De kandelaars – dat zijn de gemeenten – kunnen worden weggenomen, klinkt het. We lezen nu niet meer dat de gemeente wordt aangesproken als gelovigen in Christus Jezus. Trouwens, zo sprak Christus Zijn hoorders ook niet aan. De Heere Jezus sprak soms Zijn discipelen apart aan, maar vaak was Zijn preek evangelisatie. De vraag is of die benadering niet beter bij onze tijd past. Israël was ook Gods gemeente en verbondsvolk, maar werd niet als een gemeente van gelovigen aangesproken. In onze westerse samenleving lijkt de kerk helaas meer op de ingeslapen kerken van Klein-Azië. Het ligt voor de hand hen anders aan te spreken dan Paulus de gemeenten deed. Zonder overigens te ontkennen dat de gemeente ten diepste een vergadering van ware gelovigen blijft.

Dit zegt Die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood
(Openbaring 3:1)

Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen
(Openbaring 3:15,16)

Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt
(Openbaring 3:17)

Andere geluiden
Overigens moeten we niet denken dat Paulus ieder gemeentelid als een ware gelovige beschouwde. Hoofdstukken als 1 Korinthe 10 maken dat wel heel duidelijk. De apostel vergelijkt de gemeente daar met het volk van Israël dat uit Egypte was bevrijd en op weg was naar Kanaän. Iedereen van dat volk was door de Rode Zee getrokken en ze hadden allemaal uit de steenrots (Christus) gedronken. Maar dat betekende nog niet dat ze ook allemaal in het beloofde land aankwamen.

Want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad.
(1 Korinthe 10:4,5)

Uit Naar de Kerk van ds. P. van Ruitenburg (Chilliwack, Canada);
Uitgeverij Den Hertog B.V. Houten; 1e druk; ISBN 978 90 331 2112 8.